7
Het enige wat er uiteindelijk voor nodig was om ieder spoor van het feit dat ik ooit in New York had gewoond uit te wissen was een gehuurde vrachtwagen, een bezoekje aan een betere tweedehandswinkel en nog eentje aan een kringloopwinkel, en een halve dag aan de telefoon om gas en elektra op te zeggen, een vroege beëindiging van mijn huurcontract te bedingen en te regelen dat mijn schilderij en plasma-tv ergens werden opgeslagen.
En ineens stond ik met twee koffers bij mijn voeten in mijn kale appartement waar het stof in het zonlicht dwarrelde. Precies zoals ik mijn leven hier zeven jaar geleden was begonnen.
‘Dat je niet meer spullen hebt,’ zei Matt toen hij een van mijn koffers optilde. Ik zou vannacht, mijn laatste nacht in de stad, op de bank in zijn appartement doorbrengen voordat ik morgen de trein van 09.00 uur nam naar Maryland, naar huis. Ik had niet gevraagd wat Pammy hiervan zou vinden.
‘Vrouwen hebben toch altijd veel meer spullen?’ vroeg Matt.
‘Ik heb wel spullen,’ protesteerde ik. ‘Ik heb een trucklading naar de kringloopwinkel gebracht.’
‘Een kwart trucklading,’ verbeterde Matt me. ‘Waar zijn al je scrunchies? Waar zijn al je kleren? Waar zijn je stapels tijdschriften waarin staat hoe je een man gek maakt met een ijsblokje en krimpfolie?’
‘Ten eerste heb ik sinds mijn tiende geen Penthouse meer gelezen,’ zei ik. ‘En scrunchies? Ik vind het echt heel verontrustend dat je dat woord kent.’
‘We hadden het over jouw tekortkomingen, niet de mijne,’ zei Matt.
Het voelde zo vreselijk goed om weer met hem te kibbelen, om net te doen alsof alles normaal was, ook al voelde ik me onder de oppervlakte als breekbaar glas dat al door een heel zacht tikje uit elkaar zou spatten.
‘Wat zijn de plannen voor vanavond?’ vroeg ik. ‘Mexicaans en een film?’
‘Nee zeg,’ antwoordde Matt, ‘het is je laatste avond in New York. We gaan stappen.’
Hij pakte mijn andere koffer, ik sloot mijn deur af en we liepen naar de lift. Ik keek niet om, niet één keer. Ik moest mijn blik vooruit houden. Ik moest blijven lopen.
Toen we in de lobby kwamen liep ik naar de altijd glimlachende portier om hem mijn sleutels te overhandigen. Niet over nadenken, zei ik tegen mezelf. Gewoon doen. Leg de sleutels in zijn uitgestoken hand. Laat nu de sleutels los. Goed zo, stapje voor stapje.
‘Alsjeblieft, Hector,’ zei ik.
Uit mijn tas haalde ik een envelopje met zijn vroege kerstfooi. Hector was achter in de veertig, een van de betrouwbare, onverzettelijke mensen zonder wie New York niet zou functioneren. Elke dag kwam hij opdagen, in een gestreken wit overhemd en altijd hetzelfde pak, en hield de deur nauwlettend in de gaten zodat hij op kon springen om hem open te doen zodra er iemand aankwam. Ik stond op het punt nog iets te zeggen – hem te bedanken voor alle keren dat hij pakketjes voor me achter zijn balie had bewaard of in de regen een taxi voor me had aangehouden – maar een jong stel dat ik vaag herkende van de etage onder me stormde de lift uit en liep onze kant op.
Ineens smeten ze gedrieën met woorden als ‘chemo’, ‘dochter’ en ‘bidden’ en veegde Hector zonder schaamte een traan weg toen hij zei: ‘Remissie. Ja, de dokter zei dat het een remissie is.’
Toen omhelsden ze hem, eerst de vrouw en daarna haar man die aanvankelijk zijn hand uitstak maar op het laatste moment van gedachten veranderde en Hector naar zich toe trok voor een stevige omhelzing die gepaard ging met een hoop geklop op ruggen. Hector glimlachte en boog zijn hoofd en zei alsmaar: ‘Dank jullie wel, God zegene jullie.’
‘Heeft zijn kind kanker?’ fluisterde Matt tegen me.
‘Blijkbaar,’ antwoordde ik langzaam.
Ik keek naar mijn zakelijke, onbeschreven witte envelop terwijl Hector het stel bedankte voor de lasagne die ze voor hem hadden gemaakt toen zijn dochter in het ziekenhuis lag. In mijn envelop zat honderd dollar. Ik had er geen kaartje bij gedaan. Ik had geen lasagne voor hem gemaakt. Ik wist niet eens dat zijn dochter ziek was. Ik had altijd alleen maar naar Hector geglimlacht als ik langsrende onderweg naar mijn werk en hem afwezig bedankt voor het openhouden van de deur als ik ’s avonds weer naar binnen sjeesde met mijn armen vol met mijn koffer en afhaalchinees en met mijn gedachten bij slogans, dialogen en storyboards. Hector was voor mij net zo goed een deel van het behang geweest als de nepplant in de hoek van de hal. Nu vroeg ik me af: hoe oud is zijn dochter eigenlijk? Hoe heet ze? Zou de kanker weer terugkomen? Hoe had hij elke dag naar zijn werk kunnen komen, kunnen glimlachen en de deur voor me opendoen alsof het het mooiste was wat hij op een dag deed, terwijl zijn hele wereld beefde en instortte?
‘Klaar?’ vroeg Matt.
‘Yep,’ antwoordde ik.
Maar eerst greep ik in mijn portemonnee, haalde alle briefjes van twintig eruit die ik had en propte ze in de envelop. Ik legde hem op Hectors balie en glipte weg terwijl hij nog met het stel stond te praten.
Terwijl de deur achter me dichtviel fluisterde ik: ‘Het spijt me.’ Zo zacht dat niemand het kon horen.
‘Wat zijn de plannen?’ vroeg ik aan Matt toen we eenmaal in een taxi zaten.
‘Eerst droppen we ál je spullen bij mij thuis,’ zei hij. ‘Ik hoop maar dat al die scrunchies passen. Daarna…’
‘Ik heb een verzoek,’ onderbrak ik hem. ‘Ik wil de Naked Cowboy zien.’
Matt keek me vanuit zijn ooghoek aan.
‘Echt?’ vroeg hij.
Ik knikte verwoed.
‘En ik wil op Canal Street een nep-Prada-tas kopen,’ ratelde ik. De woorden tuimelden sneller en sneller naar buiten. ‘Ik wil in een koets door Central Park. Ik wil een beroemdheid zien, een echte, niet zo’n tweederangs waar wij meestal mee moeten werken. Ik wil etalages kijken in Soho. Ik wil sushi eten bij Ruby Foo’s en wat drinken bij Tavern on the Green.’
‘Lieve help,’ zei Matt zogenaamd geschokt. ‘Je bent… je bent een toerist.’
‘Ik heb die dingen nooit gedaan,’ zei ik en ik voelde een steek van droefheid.
En het was waar; ik had meer dan een half decennium in New York gewoond, maar ik had al die tijd net zo goed achter een glazen wand hebben kunnen staan terwijl ik andere mensen zag staan zoenen op straathoeken, dansen op de muziek van de op emmers slaande drummers en naar de kroeg gaan met een luidruchtige groep vrienden. Ik had in New York gewoond, maar er niet echt gelééfd.
En het sierde Matt enorm dat hij me niet uitlachte of dreigde me uit de taxi te gooien. Hij boog gewoon naar voren en zei tegen de taxichauffeur dat hij haast moest maken omdat we een hoop te doen hadden vandaag.
Tien uur later waren al mijn wensen vervuld. Alsof een goede fee boven mijn hoofd met haar toverstafje had gezwaaid. Ik had natuurlijk dan weer wel de goede fee met de slechtste timing. Die avond in de vergaderruimte had ik haar beter kunnen gebruiken, maar nee, ze kwam een paar weken te laat, schudde de kreukels uit haar jurk, zette haar diadeem weer recht op het hoofd en mompelde iets over verkeersdrukte, een kapotte wekker en de hond die haar schema had opgegeten. Maar ze had me in elk geval vandaag gegeven.
‘Je zou nooit zeggen dat hij fake is, toch?’ vroeg ik voor de tiende keer terwijl ik zittend op een hoekbank in Ruby Foo’s mijn Prada-tas bewonderde.
‘Ik zweer je op het leven van mijn moeder dat als je hem naast een echte zou houden, ik geen verschil zou zien,’ zei Matt plechtig, met een hand op zijn hart.
‘Ach joh,’ zei ik, ‘je bent gewoon jaloers.’
‘Dat zal het zijn,’ stemde hij in.
Ik bekeek mijn tas van dichtbij en vroeg: ‘Is het stiksel slordig?’
‘Je hebt er twintig dollar voor betaald,’ antwoordde Matt. ‘Je mag blij zijn dat het stiksel is en geen tiensecondelijm.’
‘Ik heb goed afgedongen, hè?’ vroeg ik zelfvoldaan.
‘Fantastisch,’ zei Matt. ‘Je hebt de man uitgekleed.’
‘Hij wilde er vijfentwintig voor hebben,’ bracht ik Matt in herinnering.
‘Je hebt hem gebroken,’ zei Matt. ‘Het is nu een gebroken, verbitterde man. Kunnen we dan nu gaan eten?’
‘Ik wil een sushi met krab,’ zei ik. ‘En met tonijn. Ooh, en pannenkoekjes met lente-uitjes, en garnalenballetjes.’
‘Perfect,’ zei Matt toen de serveerster onze bestelling opnam. ‘Voor mij hetzelfde.’
Hij boog zich naar voren en bekeek me eens goed.
‘Ik weet dat dit moeilijk voor je moet zijn…’ begon hij en zijn teddyberenogen werden helemaal zacht en meelevend.
‘Reese Witherspoon is in het echt nog veel mooier,’ onderbrak ik hem. ‘En ik heb haar lipgloss!’
‘Je hebt haar lipgloss gestolen,’ zei Matt.
‘Eerlijk gevonden,’ zei ik, terwijl ik een slok uit mijn schattige sakekopje nam. Het was warm en lichtelijk medicinaal, precies wat ik nodig had.
‘Dat was echt een briljant idee, om vlak voor de opname bij de studio van Letterman te gaan staan,’ zei ik en ik hief mijn kopje naar Matt. ‘En dan de mazzel dat ze haar tas liet vallen! Die vrouw naast me had alleen een van haar vieze muntjes.’
‘Dan had jij meer geluk, ja,’ zei Matt. ‘Volgens mij lag dat muntje er trouwens al. Maar goed, ik wilde zeggen dat dit wel heel moeilijk voor je moet zijn…’
‘Denk je dat de Naked Cowboy een sok in zijn onderbroek stopt?’ onderbrak ik hem. ‘Ik bedoel, niks aan hem is toch echt. Hij staat daar op Times Square in zijn laarzen en onderbroek en zijn opgespoten kleurtje op zijn gitaar te tokkelen en voor foto’s te poseren. Maar de vrouwtjes zijn wel gek van hem. Ik dacht dat die blonde me een mep ging verkopen toen hij zijn arm om me heen sloeg voor de foto.’
‘Absoluut een sok,’ was Matt het iets te gretig met me eens. Ik kon het hem niet kwalijk nemen, want naast de Naked Cowboy zou iedere man zich ontoereikend voelen.
‘Wat een geweldige lipgloss,’ zei ik en ik haalde hem uit mijn tas. ‘Is de kleur niet perfect? Ik vind hem bijna net zo geweldig als mijn tas.’
‘Oké,’ zei Matt en hij boog zich naar me toe. ‘Wat is er aan de hand?’
‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik.
‘Je bent zo hyper.’
‘Ik heb een leuke dag gehad,’ protesteerde ik.
Matt keek me aan met zijn blik van een hond die onder het bakvet zit.
‘Ik ben blij dat je het naar je zin hebt gehad,’ zei hij langzaam. ‘Ik ook.’
‘Dus laten we het nu niet verpesten door ernstig te gaan doen,’ smeekte ik hem.
Ik sloeg de menukaart weer open. ‘Kijk, ze hebben tuttifrutti-ijs!’
‘Lindsey,’ zei Matt en hij zuchtte. ‘Ik moet het echt zeggen. Soms maak ik me zorgen dat je dingen niet goed verwerkt. Je bent altijd zo druk en enthousiast en opgefokt dat je er nooit eens rustig voor gaat zitten om na te denken over wat je eigenlijk wilt en hoe je je voelt. Je moet toch wel ontdaan zijn, maar je wauwelt maar door over je tas en je lipgloss alsof dat het belangrijkste op aarde is. Je ziet je emoties niet onder ogen.’
‘Moet je nou weer de psychiater uithangen?’ zei ik en ik mepte hem zachtjes op zijn arm. ‘Je lijkt Lucy van Peanuts wel.’
‘Ik snap het,’ zei Matt streng. ‘Je wilt er niet over praten. Goed. Maar vertel eens: wat ga je in D.C. doen?’
‘Een baan zoeken,’ zei ik. Dat was toch logisch? ‘Werken.’
‘En over zes maanden is het net alsof er nooit iets is gebeurd,’ zei Matt.
Ik knipperde verbaasd.
‘Grapje zeker?’ zei ik. ‘Over zes maanden heb ik me echt nog niet zo hoog opgewerkt. Dat gaat drie jaar duren.’
‘En dat is wat je wilt?’ vroeg Matt. Hij boog zich verder naar me toe en legde zijn hand tussen ons op tafel. Zijn handen waren net als de rest van hem: rustig en warm en solide. ‘Is dat alles wat je wilt?’
Zijn stem klonk zacht en kalm. Op de een of andere manier vond ik dat beangstigender dan wanneer hij geschreeuwd zou hebben.
‘Dat is precies wat ik wil,’ antwoordde ik.
‘Oké dan,’ zei Matt en hij klonk alsof hij het helemaal niet oké vond.
‘Oké dan,’ herhaalde ik en ik was een beetje boos maar wist niet zo goed waarom.
Hij sloeg zijn armen over elkaar en keek naar zijn servetje. Ik draaide mijn lipgloss in mijn vingers rond alsof het de kleinste baton van de wereld was. Dit kon ik nou net gebruiken, een serieuze en knorrige Matt. Wat wilde hij, dat ik weer in mijn schulp kroop om te janken om de rotzooi die mijn leven was geworden? Dat had ik gedaan en het beangstigde me nog steeds als ik eraan dacht hoe beneveld en afwezig die verloren drie dagen hadden gevoeld. Ik wilde daar nooit meer heen, nooit meer.
Zag Matt dan niet dat de enige manier die ik kende om dit te overleven was door dit alles achter me te laten, nu meteen? Ik ging verder en dat moest ik op warpsnelheid doen om alles te bereiken wat ik wilde bereiken. Ik had geen tijd om te treuren of voor psychoanalyses en Bikram yoga of wat hij ook vond dat ik nodig had. Matt kende me toch goed genoeg om te weten dat ik hier alleen doorheen zou komen als ik in beweging bleef en bleef werken en níét na zou denken?
Ik keek hem boos aan en ontdekte dat hij boos naar mij zat te kijken. Ik kon het niet helpen, ik moest glimlachen. Ik kan nooit lang boos op hem zijn.
‘Je hebt Reese Witherspoon-lipgloss op je tanden zitten,’ zei Matt. Toen lachte hij ook.
‘Zullen we een tuttifruttitoetje delen?’ vroeg ik. Het was een soort verontschuldiging. Verontschuldiging waarvoor wist ik niet zo goed.
‘Tuurlijk,’ antwoordde Matt en hij liet zijn armen zakken.
‘We kunnen hier nog wel een fles sake gebruiken,’ zei hij tegen de serveerster toen ze met onze borden met eten kwam.
Ik keek op in Matts bruine ogen.
‘Dank je,’ vormden mijn lippen zonder geluid.
Matt stond op het perron met zijn handen in zijn zakken te kijken hoe mijn trein Penn Station uitrolde. Mensen haastten zich langs hem en hij werd bijna opgeslokt in de ochtenddrukte, maar hij hield stand in zijn spijkerbroek en rood fleece jack. Ik had gezegd dat ik best alleen een taxi kon nemen, maar hij had erop gestaan om me uit te zwaaien.
Toen ik de trein in stapte had hij een briefje in mijn hand gestopt. Ik keek er nu naar.
‘Psychiatrische hulp, vijf cent,’ had hij op een tekening van zichzelf in Lucy’s kraampje gezet. Op het tekeningetje droeg hij een baret en rookte een sigaar.
‘Je kunt me altijd bellen,’ had hij erbij geschreven. ‘Ik zal je missen, meis.’
Ik ga niet huilen, prentte ik mezelf in. Ik keek nog een laatste keer naar Matt. Hij leek kleiner nu er een afstand tussen ons was. Ik wilde dat hij glimlachte. Zijn gezicht was zo droevig zonder die grote glimlach van hem.
Over een jaar zou ik teruggaan en Matt opzoeken, zwoer ik bij mezelf. Of ik zou hem uitnodigen bij mij langs te komen. Tegen die tijd zou ik weer mijn oude zelf zijn. Ik zou hem rondleiden op kantoor en in mijn nieuwe appartement – want tegen die tijd woonde ik echt niet meer bij mijn ouders – zodat hij kon zien hoe snel ik mijn leven weer op de rails had gekregen.
Eén jaar, beloofde ik mezelf. Twaalf maanden. Driehonderdvijfenzestig dagen. Ik zou elke seconde met werk vullen en het te druk hebben om Matt en mijn oude leventje te missen.
Een jaar wachten was niet zo lang, toch?